‘Initiatieven als de Haagse Klimaatweek zijn bittere noodzaak’
Het begint altijd met een onschuldig geluid. Geen donderslag bij heldere hemel, geen loeiende sirenes. Nee, het is een flegmatisch, ritmisch ‘blob, blob, blob’ dat de stilte van de vroege ochtend doorbreekt. Het is half vijf. Twee uur eerder liep ik nog een controlerondje. Huis gecheckt, ramen en deuren ook. Rivier rustig? Vanaf het platte dak – dat heet hier in Spanje ‘solarium’ – keek ik uit over de nacht. Het was windstil en droog. Het zwembad stond nog comfortabel vijf centimeter onder de rand, beide auto’s stonden veilig droog onder hun hoezen en schaduwdoeken. Zelfs de bananenbomen, de steeds dikker wordende papaja’s en de palmen verderop gaven geen krimp. Alles was onder controle. Dacht ik. Terug naar bed, tot over een uurtje, nacht.
En toen kwam de blob.
Wanneer dat geluid uit de richting van je badkamer komt, weet je dat het mis is. Maar de werkelijkheid haalt je sneller in dan je verstand kan bevatten. Je draait je om in bed en voelt plotseling nattigheid. Geen figuurlijke nattigheid, maar gewoon natte voeten. Het bed staat niet meer recht, het lijkt te bewegen. Manlief wakker maken. Hij trekt de voordeur open om poolshoogte te nemen en probeert die vervolgens snel weer dicht te duwen, maar het water is sterker. De rivier baant zich brutaal een weg door het huis. Ons huis is een boot geworden. In een halfuur tijd.
De keerzijde van die warmte is de absolute onvoorspelbaarheid van water
Vanaf dat moment schakelt het brein over op de overlevingsmodus. 112 bellen. De poezen in veiligheid brengen op de vliering met wat voer en water. En dan het huis uit via de achterdeur, waar de brandweer ons zou oppikken. Want als het water in twee minuten tot aan je bovenbenen staat, weet je hoe laat het is. Twee uur lang sta je daar, tot je heupen in het troebele water. Het is aanvankelijk niet eens koud, maar na honderdtwintig minuten kruipt de klamme rilling onbarmhartig in je botten. Terwijl je daar staat, zie je in het licht van je zaklantaarn je leven in flarden voorbijdrijven. Een schoen. Een appel die net nog op een schaal op de salontafel lag. Een rieten mandje met schone theedoeken uit de keuken. Anderhalve meter water heeft van een veilig thuis een drijvende ravage gemaakt.
Dit is geen dystopisch filmscript voor het jaar 2026. Dit is de realiteit van klimaatverandering die letterlijk aan de voordeur klopt. We kunnen onze tuinen nog zo vol zetten met tropische bananenbomen en papaja’s omdat het klimaat opwarmt, maar de keerzijde van die warmte is de absolute onvoorspelbaarheid van water. Als het valt, valt het met bakken uit de hemel, sneller dan de bodem het kan wegslikken.
Het is precies de reden waarom initiatieven als de Haagse Klimaatweek, van maandag 2 tot en met zondag 8 november, geen luxe hobbyprojecten meer zijn, maar bittere noodzaak. We moeten onze omgeving transformeren. We hebben geen behoefte aan nog meer asfalt, maar aan sponzen. Groen dat ademt, groen dat absorbeert, groen dat als een natuurlijke buffer werkt tegen de grillen van de opwarmende aarde. Als we nu niet investeren in grootschalig stedelijk groen, dan blijft het niet bij deze column over mijn overstroming. Dan is de blob het vaste ochtendgeluid van de toekomst. En geloof me, die wekker wil je niet horen.